Zorgboerderij t Klein Wierke en Zorgerf Kötter

Meedoen, meebeleven, meegenieten

Zorgboerderij 't Klein Wierke

&

Zorgerf Kötter

 

 

Op 20 september 2005, op een mooie zonnige herfstdag, zijn we kleinschalig gestart in Bornerbroek (gemeente Almelo) Met:

Zorgboerderij  ‘t Klein Wierke     

 

 

 

 

Na het gereedkomen van de verbouwing van de deel in (najaar van 2006), is de zorgboerderij op zaterdag 12 mei 2007 officieel geopend door het toenmalige 2e Kamerlid mevrouw Annie Schreijer-Pierik. Aansluitend was er 's middags een open huis op 't Klein Wierke.

Daarvoor was al een oude loods afgebroken, en nieuwe gebouwd inclusief hobbyruimte voor de deelnemers. Verder  een begin gemaakt met de aanleg van een groente- en belevingstuin, en een nieuwe tuinkas geplaatst.

Al vrij snel na de opening in 2007 bleek de belangstelling zo groot , dat wij plannen maakten om een bestaande schuur af te breken en een 2e ruimte te creëren ten behoeve van de zorgboerderij. Helaas, toen wij wilden starten met de bouw en al in het bezit waren van alle vergunningen en financiering, konden wij op het allerlaatste moment niet in overeenstemming komen met de verpachter, die met aanvullende voorwaarden kwam. later is op die plaats een nieuwe loods gebouwd, als 2e hobbyruimte, garage, en gedeeltelijk geschikt voor veestalling. 

 

 Zorgerf Kötter    

Om de uitbreiding toch te kunnen realiseren, hebben wij medio 2009 boerderij de Kötter aangekocht te Ypelo. Na enkele aanpassingen, was de boerderij gereed voor dagverzorging, en dagbesteding.

Op 29 augustus 2009 is de nieuwe locatie officieel geopend door wethouder Mevr. Broeze van de gemeente Wierden.

De naam Zorgerf Kötter is bewust gekozen. Bij een zorgboerderij moet er echt nog sprake zijn van een landbouwtak. Bij een Zorgerf is de landbouwtak van ondergeschikt belang, maar nog wel aanwezig. We vinden het ook erg belangrijk dat de naam Kötter in ere wordt gehouden.

 

 

  Een citaat uit: “over boerderijen waar onze families vandaan komen”.

 

 

Nog meer historie

 In 1907 is de familie Het Lam vanuit Holland verhuisd naar Twente.

 

Boerderij "Osseweide"

 

De  toenmalige Gravin van Rechteren-Limpurg wilde graag een kaasboerderij  op het landgoed van “Huize Almelo”.

Om dit te realiseren werd een nieuwe boerderij gebouwd, met een kaaskamer en een grote kelder op het noorden, aan de Noordbroeksweg 1 te Almelo, in de Aalderinkshoek.

De boerderijnaam “Osseweide” is afgeleid omdat daar rond 1900 ossen werden geweid.

In de jaren ’60 van de vorige eeuw  moest deze boerderij wijken voor een nieuwe woonwijk, de Aalderinkshoek. In 1964 is de boerderij (Osseweide ) afgebroken.

De familie Het Lam is verhuisd naar de boerderij  “t Klein Wierke” in Bornerbroek. ’t Klein Wierke is eveneens een pachtboerderij van het landgoed van “Huize Almelo”.

Waar de boerderijnaam “’t Klein Wierke" van is afgeleid is onduidelijk, er zijn meerdere versies. Wel is bekend dat in oude stukken van de provincie de "Wierkelanden" wordt beschreven  als grenslijn van  "Huize Almelo" .

 

Johan het Lam

 

 

Artikel in het informatiebulletin van het verpleeghuis  “Het Meulenbelt” te Almelo in 1999.

Geschreven in door W.H. het Lam.

 

Het verhaal van een verhuizing in 1907 met vee en meubelen van Zuid-Holland naar Almelo.

De ouders van mijn vader  en moeder zijn vroeg overleden (1), mijn vader bij een oom, en mijn moeder bij een tante zijn ze groot gebracht. Door het vroegtijdig overlijden van hun ouders zijn ze hun boerderij kwijt geraakt. Mijn vader was later bedrijfsleider op een boerderij.

In het voorjaar van 1906 kregen mijn ouders een aanbieding via een neef van mijn vader of ze bereid waren een kaasboerderij te aanvaarden in Almelo. De Graaf van Rechteren-Limpurg was getrouwd met de dochter van de Baron van Palland van Neerijnen. Zij miste in Almelo een kaasboerderij.

Mijn vader is toen samen met zijn neef naar Almelo gegaan. En zijn door de Graaf en Gravin ontvangen, en overeen gekomen dat ze in  het Noordbroek op grond waar toen nog ossen liepen van de Graaf, een kaasboerderij te bouwen met een schuur en een hooiberg.

De boerderij was in mei 1907 gereed behalve de kaaskelder. Wij woonden in Hoenkoop bij Gouda. Wij moesten alles nog aanschaffen, zoals 9 koeien, kaasgereedschap, meubels en overig vee.

Ons gezin bestond toen uit: vader en moeder een klein broertje en ikzelf, en een tante namelijk een zuster van mijn moeder.

Het vervoer van Hoenkoop naar Almelo geschiede met de trein. Er waren toen 3 Nederlandse spoorwegmaatschappijen: het Hollandse spoor, het Staatsspoor, en de Centrale spoorwegmaatschappij.

Toen alles was aangeschaft huurde mijn vader een wagon waar alles in kon. De meubels en 9 koeien, en ook mijn vader ging mee in de wagon.  Het vervoer gebeurde door drie spoorwegmaatschappijen, dat was het goedkoopste. Via Utrecht, Amersfoort tot Zwolle achter een personentrein. In Zwolle kregen de koeien drinken, en daarna ging het laatste stuk met het Staatsspoor naar Almelo, waar de nieuwe buren klaarstonden op het placement, om te helpen alles naar de boerderij te brengen.

Wij waren toen nog in Gouda. Op 10 mei 1907 zijn wij met de trein naar Almelo gekomen. Ik was toen 3 jaar en van de reis weet ik niet veel. Later hebben ze me verteld dat ik van het station niet wilde lopen naar de boerderij. En door tante Lies ben gedragen.  De mensen gluurden achter de gordijnen om te zien wat voor soort mensen wij wel waren.

We moesten eerst wel wennen in het nieuwe huis. De inrichting was: deel met een stal voor 12 koeien, een paardenstal, voor 2 paarden, en een hok voor kalveren en een wc. Voorop de deel was een gladde vloer en een schoorsteen met tegels waar kon worden gekookt. Daarvoor een woonkamer met 2 bedsteden en een deur die toegang gaf voor een kamer met één bedstee en een ledikant. Er was een prachtige kaaskamer met rekken en daaronder een grote kelder, alles ingericht voor het maken van kaas. De boerderij was zo gebouwd dat aan de noordkant ( de koudste kant) de kaaskelder zat. De boerderij kreeg de naam “Ossenweide”.

We moesten ook wel wennen aan het Twentse dialect. De metselaars vroegen mijn moeder om een balie, wij noemden dat en tobbe.

De Graaf en de Gravin met hun 2 zonen en dochter waren erg aardig, en tevreden over alles. Later heb ikzelf veel kaas naar het kasteel gebracht. De Graaf was toen ook commissaris van de Koningin in Overijssel.

De Rentmeester heeft alles goed bekeken toen hij de eerste keer kwam. Daarna als hij kwam sloeg hij met zijn wandelstok op de deur, en bestelde kaas aan de deur. Hij ging niet graag naar binnen bang als hij was dat de pachters hem dan zouden vragen iets te repareren aan hun boerderijen.

We zijn toen direct begonnen met het maken van kaas, toen de kaas klaar was om te verkopen, kwamen ze uit de stad vragen of we die kazen ook verkochten aan anderen. We verkochten de kazen aan winkeliers en burgers, vanaf het begin liep dat al aardig goed.

Mijn moeder heeft onze familie en de Grafelijke familie het kaasmaken geleerd. Mijn vader had altijd een groot mes bij zich in een schede dat op de plaats zat waar nu het duimstokzakje in een overall zit. De mensen hier wisten niet dat dit gebruikelijk was in de omgeving van de grote rivieren, dat was nodig als paard en wagen van de hoge dijk langs de rivieren afgleden dan moest het tuig van het paard worden door gesneden.

Als mijn vader bij de klanten kaas afleverde, en er zat iets op de kaas wat er niet ophoorde te zitten, pakte hij het grote mes en schraapte het eraf. Iets wat veel indruk maakte.

Op 1 mei 1910 moest ik naar school. Een nieuwe school die geopend werd door de minister van onderwijs. Samen met mijn vader en een buurman met zijn dochter die net zo oud was als ik gingen wij naar school. Die school stond aan de Hofkampstraat. Omdat ik haast nooit in de stad was geweest zag ik in een winkel 2 kaboutertjes  met een draagbaar met zuidvruchten erop wat veel indruk op mij maakte. Bij school aangekomen liepen er heren met hoge hoeden op voor de school.  De kinderen moesten allemaal naar de klas waar een juffrouw ons opwachtte.  Het was een lange juffrouw met een lange witte schort voor, en met rood haar. Wij moesten netjes in de bank gaan zitten. Ik dacht wat moet ik toch hier, en keek steeds naar buiten, waar ik alleen maar takken van een boom zag. Na 3 dagen op school kwam de juffrouw bij mij en zei “Willem het Lam je staat op het bord met 4 kruisjes” dat betekende  dat ik moest nablijven omdat ik niet oplette. Ik werd zo kwaad dat ik zei “ik heb wel een groot mes bij mij net als mijn vader” en dacht dan is ze wel bang. Ze keek mij aan en zei niets. Ik ben ook niet nagebleven. De andere dag toen ik weer op school kwam zei ze tegen de hoofdonderwijzer “dat is het jongetje dat mij de kop eraf wilde snijden”. Nadien heb ik dat nog lang moeten horen.

Er zaten bij mij in de klas kinderen van een dominee, hoofdonderwijzer, fabrikant, organist, en mijn buurmeisje (waar ik later met ben getrouwd). Wat ik verder nog herinner van school is dat ze mij door de kleding en mijn taal (Utrechts/Hollands dialect) niet voor een boerenzoon aanzagen.

 

Willem het Lam (1904 – 2000)

 

(1)  Rond 1890 heerste er Spaanse griep, daaraan zijn de beide opa’s en oma’s van Willem het Lam  overleden. ( de ouders van  Dirk het lam en Margaretha van der Heiden).